Mijn opa’s in militaire dienst

Twee foto’s

In mijn jeugd waren er twee foto’s van mijn opa’s die mij intrigeerden. Bij mijn opa Kremer was dat een foto die in de slaapkamer van mijn opa hing. Daarop zat hij te paard in zijn militaire uniform van de artillerie. Dat dat uniform van de artillerie was, wist ik toen nog niet. Daar kwam ik pas later achter. Voor mijn opa Pot was dat een foto waarvan ik het bestaan was vergeten maar waaraan de herinnering weer terugkwam toen ik die kreeg doorgestuurd door mijn neef en nicht.

Onderzoek

Aangezien ik zelf als een van de laatste dienstplichtigen in Nederland heb gediend, wilde ik meer weten over bij welk onderdeel en waar en wanneer mijn opa’s hadden gediend. De foto’s dienden dan ook als eerste aandachtspunt bij mijn onderzoek. Maar eerst wat meer informatie over de omstandigheden waarin beide opa’s in de militie zaten. Dat was tenslotte vlak voor en tijdens de eerste wereldoorlog.

Eerste wereldoorlog

Beide opa’s zijn vermoedelijk tijdens de eerste wereldoorlog gemobiliseerd geweest voor een paar jaar. Gedurende de vier jaar van de eerste wereldoorlog functioneerde het Nederlandse leger op volledige sterkte om de landsgrenzen te bewaken en een eventuele aanval af te kunnen slaan. Dat was geen gemakkelijke tijd. Economisch ging het niet goed omdat Nederland geen of weinig handel kon doen met Duitsland en andere landen ivm haar neutraliteit. Ook kon er geen invoer van allerlei levensmiddelen plaatsvinden en was men grotendeels afhankelijk van de eigen productie. Tienduizenden paarden werden gevorderd door de militie want die waren nodig voor de mobilisatie. Want het Nederlandse leger had zelf niet voldoende paarden voor alle gemobiliseerde troepen. Ook kwamen er 1 miljoen Belgische vluchtelingen naar Nederland omdat België was aangevallen door Duitsland. Driehonderd Nederlandse schepen vergingen door mijnen en torpedo’s. In 1917 en 1918 vonden in Amsterdam (aardappeloproer) en Rotterdam voedselplunderingen plaats. In die tijd was ook voedsel op de bon en waren er gaarkeukens. Ook werd de zogenaamde ‘eenheidsworst’ ingevoerd. De slager moest alle vlees tot een ‘standaard’ worst vermalen zodat het vlees eerlijk onder alle inwoners verdeeld kon worden. Iedereen had recht op 100 gram van deze worst per week. In 1918 wilde Pieter Jelles Troelstra in Nederland een socialistische revolutie uitroepen. Dat mislukte.

Slecht betaald

De soldaten kregen in die tijd maar karig betaald dus ook dat betekende voor veel gezinnen een dubbel lot. Een werkkracht minder in huis die vervolgens ook nog slecht betaald kreeg. Een gezin van een milicien moest van 85 cent per dag rondkomen. Volgens een bron was het te weinig om van te leven maar te veel om van te sterven. Een andere bron meldt dat een milicien 48 cent per dag kreeg. Dat staat ongeveer gelijk aan vier euro per dag nu.

Vier jaar gehele mobilisatie

Als enige neutrale land hield Nederland het gehele leger van 200.000 man tussen 1914 en 1918 volledig gemobiliseerd. De bron vermeldt ook andere omstandigheden en geschat wordt dat er in die jaren enkele honderden mannen zijn overleden door de erbarmelijk slechte omstandigheden. Als je invalide of ziek de dienst verliet, moest je een formulier ondertekenen dat de ziekte of invaliditeit niet in of door de dienst was veroorzaakt om 15 gulden vergoeding te krijgen. Daarna was het einde verhaal en moest de desbetreffende milicien het verder maar uitzoeken. En als de milicien dan eindelijk naar huis mocht, dan moest hij nog maar zien of er nog werk voor hem beschikbaar was. In de bronnen van dit document vind je nog veel meer informatie over het leven van militairen in het bijzonder en meer algemeen dat van de bevolking van Nederland in deze periode.

Opa Gerrit Kremer (Gait van Bakkie)

Gerrit Kremer (1891)

Gelukkig had ik een afbeelding van de foto van mijn opa Kremer van mijn neef gekregen en ik herkende bij mijn opa Kremer het ‘wapen’ op zijn hoofddeksel: dat van de artillerie. En dat hij te paard zat, gaf ook al een indicatie. Uit overlevering wist ik ook dat opa ‘bij het paardenvolk had gezeten’. Dat maakte de zoektocht al wat kleiner maar nog steeds aanzienlijk. In de tijd van mijn opa was er nog sprake van de nationale militie en gingen mannen ongeveer op hun twintigste in dienst. Dat was voor opa op donderdag 28 september 1911 het geval. De dienstplicht of militie duurde officieel vijf jaar maar in de praktijk was dat een jaar met vervolgens twee herhalingen in de periode erna. Elk legeronderdeel in die tijd bestond uit regimenten. Aan het uniform van opa Kremer te zien viel de rijdende artillerie al af. Het moest de veldartillerie zijn geweest. Daar waren meerdere regimenten van. Bij het vierde regiment had ik in het jaar 1911 beet.

Opa Kremer had als lotingsnummer 4. Hoe lager het nummer, des te groter de kans dat je in dienst moest. De loting viel dus niet gunstig voor hem uit. Hij diende bij het 4e regiment veldartillerie als stukrijder. Als stukrijder zat je op een vd paarden aan de linkerkant van een 4- tot 10-span paarden die een stuk veldgeschut (kanon) voort trokken. In die tijd was dat vermoedelijk een kanon 7-veld. Die werden door een 4- tot 6-span paarden getrokken. Een voorbeeld van hoe dat er aan toe ging in die tijd kun je hier lezen. En hier nog een artikel over hoe artilleristen zouden moeten opstijgen.

Het 4e regiment was gelegerd in een kazerne (op dat moment nog zonder naam) die in 1908 was gebouwd in Ede. Dit werd later de Van Essenkazerne. Genoemd naar de uitvinder van de brisantgranaatkartets, een samenvoeging van de brisantgranaat met een kartets. Een regiment bestond vermoedelijk uit 3 afdelingen met drie batterijen met elk 4 vuurmonden (kanonnen). Dan had je dus 3 afdelingen x3 batterijen x4 vuurmonden = 36 kanonnen x4-6 paarden = 144 tot 216 paarden nodig. En dan nog meer paarden voor de munitietrein en staf. Dat moet een machtig schouwspel zijn geweest als dat hele gebeuren op oefening ging. De onderstaande foto van Cornelus Hartgers uit 1925 gemaakt op de Doesburgerheide laat dit goed zien (Bron: Gemeentearchief Ede).

Veldartillerie: Cornelus Hartgers (1925)

In augustus 1914 (dus maar een jaar nadat hij afzwaaide) werd opa gemobiliseerd in verband met de eerste wereldoorlog en op 29 november 1917 ging hij met gewoon verlof. Die drie jaar zal een bijzondere tijd zijn geweest. Veel wachtlopen maar toch onder een bepaalde spanning. Stel dat de Duitsers wel een inval deden? In 1919 werd er een algehele demobilisatie afgekondigd. Daarna zat opa nog bij de bijzonder vrijwillige landstorm. Daar heb ik ooit nog een soort dank-document van gezien. Opa was trouwens 1.74 meter lang volgens de archieven.

Het geval wil dat ik zo’n 80 jaar later in 1993 op kwam voor militaire dienst bij de Elias Beeckmankazerne in Ede. Niet erg ver van de plek waar opa ook was geweest. Later kwam ik als telexist bij de 42e afdeling veldartillerie in Assen terecht. Dus ook bij de (veld)artillerie evenals opa, en een oom en een neef van mij. 


Opa Germ Pot

Germ Pot (1896)

Voor opa Pot was de zoektocht wat eenvoudiger. Na een oproep in de neven- en nichtenapp van de familie Pot en aanverwanten kreeg ik van een neef en nicht van mij de beschikking over drie foto’s van opa en de nodige informatie. Ook opa Pot zou bij de artillerie hebben gezet. Dat bleek te kloppen maar daar zat een verhaal achter. Een van de foto’s was een foto waarop opa in ceremonieel uniform stond met een sabeltas met een vier erop. Na wat zoekwerk bleek dit een cavalerie uniform te zijn. De vier op de sabeltas bleek te verwijzen naar het vierde regiment. En dit bleek het beroemde regiment Huzaren van Boreel te zijn. Opa was dus een Huzaar, een onderdeel van de cavalerie. Hij zat dus ook ‘bij het paardenvolk’. Op het nationaal archief vond ik dan ook snel zijn gegevens en zijn lotingsnummer 89.Bij de indiensttreding was opa 1.754 meter lang. Daar stond echter ook bij dat hij op 25 juli 1921 was overgeschreven naar, je raadt het niet, het 4e regiment Veldartillerie als stukrijder! Omdat hij al op maandag 3 juli 1916, tijdens de eerste wereldoorlog was opgekomen en hij in 1919 met groot verlof ging in verband met de demobilisatie, kan ik me voorstellen dat dat meer een administratieve overplaatsing was die te maken had met de reorganisatie van de Huzaren van Boreel in 1922. Uit de overlevering is bekend dat opa oppasser was van een luitenant en er trots op was dat hij de laarzen en schoenen altijd glimmend kreeg en dat hij goed kon omgaan met de paarden. Een oppasser was een persoonlijke knecht voor een officier die voor de uitrusting en het verblijf van de officier zorgde. Op de foto zie je opa linksvoor liggend afgebeeld. Vermoedelijk met een speciale versie van het Mannlicher geweer M(18)95 aangepast voor gebruik op het paard.

Germ Pot (1896)
Huzaren van Boreel

Een bijnaam van het regiment was dat van ‘Boerenregiment’ of ‘Klompenregiment’. Dit had te maken met het feit dat er veel dienstplichtigen uit de noordelijke en oostelijke provincies dienden bij het regiment (bron). Er waren eskadrons die voor het grootste deel bestonden uit personeel uit Overijssel en Achterhoek, Friesland en Groningen. Ook een deel van de officieren was afkomstig van landadel en grootgrondbezitters uit deze contreien. Zowel de landadel en grootgrondbezitters beschikten over behoorlijke stallen met de nodige paarden en waren dus gewend aan de omgang met paarden. Dit gold natuurlijk ook voor de dienstplichtigen die als boerenjongens de omgang met paarden al van jongs af aan hadden meegekregen. Toen opa Pot op kwam voor zijn nummer, was het merendeel van de Huzaren al meer dan een jaar gemobiliseerd en van juli tot november bevonden zij zich in Brabant. Om precies te zijn in Son, Breugel en Best. Daarna verbleven ze in Uden en Volkel. Daarna verbleven ze tot het eind van de mobilisatie in Oisterwijk en Haren. Maar een eskadron was ook in Zutphen gebleven tijdens de mobilisatie en werd ingezet ter bestrijding van rellen, onder andere in Amsterdam. Dus waar opa precies verbleef tijdens zijn diensttijd is wat diffuus omdat ik niet weet tot welk eskadron hij behoorde. (bron). De hierboven genoemde bronnen geven trouwens mooie beschrijvingen van hoe het er in die dagen aan toe ging bij de Huzaren.